| 1 |
Voelen met je ogen/kijken met je handen |
Voelen met je ogen/kijken met je handen.
Als opening of afsluiting van een dagdeel is dit een leuke activiteit gericht op zintuiglijke bewustwording. Stel ze de volgende vragen als ze in de kring zitten:
Doe je ogen eens dicht. Voel heel zachtjes aan je kleren.
Wat voelt heel zacht, het zachtst? Wat voelt glad, het gladst of warmst aan? Wat harder, ruwer of kouder?
Het is voor jonge kinderen nog moeilijk om die woorden in de juiste context toe te passen. Zoek daarom naar karakteristieke voorbeelden van deze hoedanigheden en laat ze daaraan voelen; ruwe steen of schuurpapier, glad stukje satijn, zachte voering etc. |
Print |
| 2 |
Versieren of verprutsen |
Versieren of verprutsen.
Versiering is een toevoeging aan een object om het visueel aantrekkelijker te maken. Of dat ook het geval is kun je over praten. Zet drie of vier voorwerpen in de kring die duidelijk versierd zijn. Richt in een leergesprekje de vragen op de versiering; Wat zie je, valt je op? Wat is hetzelfde, verschillend? Hoe is het gemaakt? Kun je dat met je vinger voordoen? Welke kleuren zijn gebruikt? Waarom zouden de dat zo hebben gemaakt? Welke versiering vind je het mooist?
Van hieruit kun je kinderen zelf een versiering laten maken, bijvoorbeeld door te stempelen met verschillende materialen. Zie ook bevokaart: stempelen.
|
Print |
| 3 |
Verkeersbordenverzamelspel |
Verkeersbordenverzamelspel
Verkeersborden zijn prachtige kleurige tekens in onze omgeving. Druk een flinke serie borden af in kleur (google afbeeldingen) en leg die uit in de kring. Geef de kinderen de opdracht er groepjes/families (iets is hetzelfde) van te maken. Bespreek de betekenis van de gekozen kleuren en vormen (rood, blauw, driehoekig, vierkant, rond etc. met en zonder randen) geef de ze zoekopdracht mee te kijken hoeveel en welke ze zien op weg naar huis om dat daags erna te inventariseren.
|
Print |
| 4 |
Toveren met geldstukken! |
Toveren met geldstukken!
Vertel hoe je van je oma leerde toveren zoals kinderen dat al over generaties doen. Leg een munt/geldstuk onder een velletje papier. Houd dat goed vast en strijk licht met een potlood of een waskrijtje (op de zijkant) overheen. Maak er nog een paar. Daar verschijnt de afbeelding. Wat kun je er allemaal op zien? wat zijn de verschillen? Als je ze uitknipt kun je er winkeltje mee spelen.
|
Print |
| 5 |
Stil even een stilleven |
Stil even een stilleven.
Laat in de kring een of meer afbeeldingen van een stilleven zien (google afbeeldingen). Bespreek met de kinderen wat erop te zien is en wat de bedoeling van de schilder is geweest (symbolen of gewoon mooi!).
Laat de kinderen vervolgens een ding van thuis meenemen. In de kring leggen ze kort uit waarom ze dat hebben uitgekozen. Vervolgens vormen ze groepjes en maken een eigen stilleven. Hoe zet je dat nu neer? Is de hamvraag. Je kunt ze dat laten tekenen, schilderen of fotograferen.
|
Print |
| 6 |
Samen verzamelen |
Samen verzamelen.
Een verzameling is altijd het bekijken waard! Vraag de kinderen in de kring wie er iets verzameld. Of een broer, zus of ouder heeft die iets verzamelt. Stel voor om samen iets te gaan verzamelen. Een voorbeeld in de klas, de drinkbekers/flesjes! Zet ze in het midden van de kring. Bespreek welke op elkaar lijken en welke verschillen ze zien. Geef de kinderen de opdracht er groepjes/familie van te maken.
Samen kun je snel een mooie verzameling aanleggen. Voor de volgende ochtend vraag je de kinderen bijvoorbeeld flessendoppen mee te nemen. Het maken van families is dan weer een leuke activiteit die beeldende, wiskundige, begripsmatige en talige inzichten bij de kinderen ontwikkelen.
|
Print |
| 7 |
Samen onderweg |
Samen onderweg.
‘Hoe ben je vanmorgen naar school gekomen?’ is de openingsvraag. Lopend, met de auto, met de fiets, misschien wel met de step of te skateboard. Zet twee stoelen in het midden van de kring. Vraag de kinderen voor te doen hoe het eruit ziet als je samen met je moeder of broer/zus onderweg bent naar school. Laat ze een tekening of schilderij maken over ‘samen onderweg’. |
Print |
| 8 |
Portretfotogalerij |
Portretfotogalerij
Fotograferen was ooit een omslachtig proces met dure apparatuur. Tegenwoordig doet een kind de was; maak in een hoekje van het lokaal een fotohoek. Daarin een stoel voor de fotograaf en een voor de klant. De achtergrond is leeg. In tweetallen fotograferen de kinderen elkaar met een eenvoudige digitale camera (evt. met hulp van een ouder). Print de foto’s uit op A4 in zwart-wit. Elk kind schildert de achtergrond met lievelingskleuren/of motief.
Met een zelfgemaakt lijstje kunnen ze in de galerij van jarigen worden gehangen
|
Print |
| 9 |
open en dicht |
Open en dicht.
Voor het naar buitengaan moeten kinderen vaak vanalles aantrekken. Maak daar eens een bewust evenement van, een vlootschouw rond de vraag; Hoeveel soorten sluitingen zitten er in onze kleding? Kijk eens goed rond. Waar zitten knopen, veters, drukkers, ritssluitingen en klittenband? Wat kan je makkelijk dichtmaken? Wat vind je mooi staan? Wat is het sterkst of gaat juist gauw kapot? Het zijn allemaal vragen waarop kledingontwerpers een antwoord op moeten geven.
|
Print |
| 10 |
om je nek of hals |
Om je nek of je hals.
Stel in de kring de vraag naar wat de kinderen voor shirt hebben aangetrokken. Waar kwam je hoofd doorheen? Hoe weet je wat de voorkant is? Hoeveel soorten boorden/kragen kunnen we in onze groep onderscheiden? Hoe noem je ze? Kun je ze ook tekenen en de naam eronder schrijven?
Zoals bij veel mooie stukjes onderwijs is hier de belevingswereld het vertrekpunt voor ontwikkeling van visueel onderscheidingsvermogen, begripsvorming en taal. Mooi als dat uitmondt in een beeldend/talige verwerking.
|
Print |
| 11 |
Nieuw huis, nieuwe buren, nieuwe plekje |
Nieuw huis, nieuwe buren, nieuwe plekjes.
Bouwen als kringactiviteit. Ga met een flinke blokkendoos in de kring zitten. Elk kind krijgt ten minste 5 blokken. Begin de activiteit met de vermelding; we mogen allemaal een huis bouwen met 5 blokken. Wie bouwt het eerste huis? Een kind krijgt de beurt. Vraag het hardop te denken; hoe zit het in elkaar, waar is de voordeur, waar is de tuin? Als de eerste opzet klaar is, maag het kind de buurman/vrouw aanwijzen. Wat is ernaast? En hoe bouw jij? Zo maak je een straat of een plein. Hoeveel variatie kunnen de kinderen aan en waarmee houden ze rekening? Tuin, speelplek, steegjes etc. |
Print |
| 12 |
Nachtvlinders |
Nachtvlinders.
Verzamel met de kinderen verschillende bladeren, van elk een paar. Plak ze op met de steeltjes naar elkaar toe. Beschilder ze dan met herfsttinten als ‘herfst- of nachtvlinders’. Kun je ze ook een naam geven?
|
Print |
| 13 |
Mijn lievelingsklaslokaal |
Mijn lievelingsklaslokaal.
Kinderen kun je leren kijken naar hun omgeving en daar variaties op laten bedenken. Deze activiteit is daar een leuk voorbeeld van en leert de kinderen er ook over communiceren:
Twee kinderen krijgen een telefoon. De een vertelt de ander wat er allemaal in de klas te zien is. De ander doet dat ook, maar mag fantaseren en vertellen wat hij of zij heel leuk zou vinden in de klas. |
Print |
| 14 |
Memory |
Memory
Met een groep kinderen kun je een prachtig eigen memoryspel maken. Verzamel met de kinderen zoveel mogelijk spulletjes (afval en natuurmateriaal; doppen, kurken, piepschuim, sponsjes, schors, halve champignon etc.) waarmee je kunt afdrukken. Snij van stevig papier of karton kaartjes (6x6cm). Elk kind wordt ‘meesterdrukker’ van 1 afbeelding en drukt daarvan een oplage van het aantal deelnemende kinderen x2. wijs de kinderen erop dat de kaartjes precies op elkaar moeten lijken. Als de kaartjes droog zijn wordt een set verzameld en wordt het spel gespeeld. De rest wordt later tot sets vergaard. |
Print |
| 15 |
Lievelingskleding |
Lievelingskleding.
In de kring heeft een kind iets speciaals aan, bijv. in verband met een feest. Je besteed daaraan met de kinderen uitgebreid aandacht. Wat trek je het liefste aan?
Je begint natuurlijk met een klein compliment en vraag het kind iets gedetailleerder te vertellen over wat het aanheeft; de kleur, de vorm, de textuur (hoe voelt het aan) wat erop staat etc. en natuurlijk of het fijn is dat aan te hebben. Andere kinderen krijgen de beurt iets te vertellen wat zij graag op dat feest (bijv. verjaardag) aan zouden hebben.
Geef het gesprek dan een nieuwe wending door een heel andere kleed-situatie te schetsen, bijvoorbeeld buiten spelen.
Kinderen leren over de relatie tussen vorm en functie.
|
Print |
| 16 |
Letters en cijfers |
Letters en cijfers
Letters en cijfers hebben vaak grappige vormen. Maak dat eens tot onderwerp in een kijk leergesprekje;
Vergroot op de computer een paar letters en cijfers van verschillende lettertypes en print ze uit.
Leg ze in dekring aan de kinderen voor. Begin met de vraag welke ze herkennen. Ga vervolgens in op de vormen die te zien zijn; waar lijken ze op? Ga dan in op details door dezelfde letter in verschillende lettertypes met elkaar te vergelijken. Laat de kinderen tot slot de beginletter van hun naam tekenen met een kwast of penseel en verf. Hoe geef je de letter echt een vorm? |
Print |
| 17 |
Lenteboom |
Lenteboom.
In de lente komen er niet alleen nieuwe blaadjes aan de bomen. Veel bomen staan ook in bloei met de prachtigste kleuren. Ga met de kinderen naar buiten om nar die bomen te kijken of neem een paar takken mee de klas in. Laat zien hoe de blaadjes aan de takjes zitten.
Leg dan 6 grote vellen papier op de grond tegen elkaar.
Teken daarop een boom (met korte stam) met een grote tak (met vertakkingen) per vel.. Daarna kunnen de kinderen per groepje met de handen (vingerverf) de blaadjes erin stempelen in verschillende groentinten. Door de hand te openen en te sluiten kun je zien hoe ver de blaadjes al uitgekomen zijn. Een kind kan er met de vingertoppen de bloesem in stempelen. Het effect is het mooist op licht getint papier (grijs of lichtblauw) want dan komt de bloesem het mooist tot zijn recht!
|
Print |
| 18 |
Kringspel kleurdomino |
Kringspel kleurdomino.
Zet een kind in het midden van de kring. Kijk samen naar de kleur van het shirt. Hoe noem je die kleur? Een kind met dezelfde kleur shirt mag aansluiten. Zie je ook verschillen? Hoe zou je die noemen. Dan kan ook een kind met de kleur in een ander kledingstuk aansluiten, bijvoorbeeld de broek of sokken. Zo ontstaat een reeks als bij domino. De kinderen leren over overeenkomsten en verschillen tussen kleuren en leren die verwoorden. |
Print |
| 19 |
Kijken met je ogen dicht |
Kijken met je ogen dicht.
Visualisatiespel aan het begin of einde van een dagdeel. Vraag de kinderen; wat zie je allemaal onderweg naar huis? En als je thuis de deur open doet?
En nu fantaseren; geef een voorbeeld. Ik loop naar school langs het pad. Uit het water springt een prachtige vis, en als ik thuis de deur open doe is de kamer gevuld met droptoffees.
Herhaal dit na bijvoorbeeld een dag en dan een week. Kun je ontwikkelingen bespeuren.
|
Print |
| 20 |
Jouw eigen nestje, het fijnste plekje bij je thuis |
Jouw eigen nestje, het fijnste plekje bij je thuis.
Oefening van je visueel voorstellingsvermogen. Vertel de kinderen dat dieren fijne plekjes zoeken om te verblijven. Vaak is dat hun eigen nest, maar soms ook een andere plek. Zo zitten veel poezen graag in de vensterbank.
Vraag de kinderen in de kring over hun fijnste plekje thuis. Hoe ziet dat eruit? Ontlok ze een beschrijving door de ogen te sluiten en je voor te stellen dat je er zit. |
Print |
| 21 |
Ik zie, ik zie… |
Ik zie, ik zie…
(Samen kijken, onthouden, praten en terugkijken)
Selecteer een voor de kinderen aantrekkelijk stukje video/dvd van ca. 5 minuten. Kijk er eerst zelf naar en noteer een aantal kijkvragen. Die kunnen gaan over de verschijningsvorm van zaken of personen die te zien zijn maar ook over aantallen en details. Kijk dan in de groep samen naar de fragmenten. Stel na afloop de vragen en noteer de antwoorden kort. Spoel de band dan terug/zet de dvd weer op dezelfde scène. Zet de band/dvd steeds even stil als er een antwoord op de vraag in beeld is (geweest), herhaal de vraag, laat een kind herhalen wat aanvankelijk het antwoord was en laat het verifiëren. |
Print |
| 22 |
Hoe voelt-ie zich? |
Hoe voelt-ie zich?
Nodig; krant, velletje papier, schaar, lijm. Zoek in de krant minstens vier gezichten op. Knip ze uit en plak ze naast elkaar. Leg de kinderen in de kring de portretten voor.
Vergelijk ze met elkaar. Laat de kinderen erover vertellen. Wat valt je op? Wat denk je dat ze doen? Hoe kijken de mensen? Hoe voelen ze zich?
Stuur het gesprek langzaam naar de vraag waaraan je dat kunt zien; bijvoorbeeld; aan de mond of aan de ogen. Vraag dan of ze dat zelf ook kunnen voordoen. Tot slot de vraag wie zo’n gezicht zou willen tekenen met de vraag; hoe voelt-ie zich? |
Print |
| 23 |
Het heeft ogen… |
Het heeft ogen…
Neem 3 plaatjes (ansichtkaarten) van dieren in je hand. Een kind komt naast je zitten en krijgt een kaart. De rest moet er met vragen aan dit kind achter komen hoe het eruit ziet en welk dier afgebeeld staat. Na een aantal antwoorden worden de kaarten door elkaar geschud en getoond. Welk plaatje had dit kind?
Je moet het wel even samen voordoen om de kinderen te laten begrijpen welk soort vragen je moet stellen. Het gaat vooral op vragen die visuele aspecten van het dier beschrijven; welke kleur, wat voor velletje, wat voor oren of staart, poten etc. begin met duidelijk verschillende dieren. |
Print |
| 24 |
Hand-Tekening |
Hand-Tekening
Filosofeer met de kinderen over het begrip handtekening. Laat een paar van die over het algemeen saaie krabbels zien. kan dat niet spannender?
Natuurlijk weten ze wat een hand is en ook wat een tekening is. ‘Maar wanneer wordt dat nu echt iets wat van jou is. In de omtrek van je eigen hand kun je prachtig een tekening maken over iets dat je mooi of leuk vindt. Dat noemen we gewoon jouw handtekening! Laat maar eens zien of we je handtekening kunnen herkennen.’ |
Print |
| 25 |
Even kijken hoe het voelt |
Even kijken hoe het voelt.
Als je je ogen sluit kun je voelen waar je loopt. Alles voelt anders aan. Elke muur heeft zijn eigen textuur. Maak met een groepje geblinddoekte kinderen hand in hand een wandeling door de school op zoek naar texturen. Laat ze muren en objecten betasten en vertellen wat ze voelen. Met een tweede groepje maak je de zelfde wandeling. Zij zijn niet geblinddoekt maar hebben papier en krijt bij zich om van de muren en objecten ‘rubbings’ (doorwrijvingen) te maken.
Terug in de klas wordt in de kring aan het eerste groepje gevraagd welke texturen ze herkennen.
|
Print |
| 26 |
Elk haartje |
Elk haartje!
Zoek samen met de kinderen buiten beestjes en neem ze mee naar binnen. Zet ze onder glazen potjes op een wit velletje papier. Laat de kinderen er eens goed naar kijken; wat kun je er aan zien? Laat ze details benoemen. Laat ze ook eens door een vergrootglas kijken. Maak er met potlood een tekening van, zoals je het ziet door een sterk vergrootglas, zodat je ‘elk haartje’ kunt zien.
|
Print |
| 27 |
Een praatje bij een plaatje |
Een praatje bij een plaatje.
In kranten en tijdschriften staan vaak prachtige vertellende foto’s. Vergroot zo’n foto op de kopieermachine. Laat de kinderen eerst vertellen wat er te zien is op de foto. Werk dan allengs naar de/een toedracht, de situatie rond hetgeen te zien is. Zo kan een prachtig verhaal ontstaan.
|
Print |
| 28 |
Deksels! |
Deksels!
Verzamel met de kinderen deksels van schoenendozen, pizzadozen of andere ondiepe dozen. De kinderen halen uit de zandbak wat vochtig zand, verspreiden dat op de bodem en strijken het oppervlak mooi glad. Vervolgens mag elk kind een stevige stap in de doos zetten. Vergelijk de afdrukken eens met elkaar. Welke vormen zie je? Hoeveel strepen, zigzagjes en rondjes.
Als uitbreiding kun je ze hun afdruk laten tekenen of schilderen. |
Print |
| 29 |
Cijfer- en letterwezentjes |
Cijfer- en letterwezentjes
Vraag: weet je hoe een erretje eruit zag. Nee, geen erwtje! Een leuke oefening in fantaseren en associëren op basis van letter en cijfervormen.
Begin met een fantasieverhaaltje uit de tijd dat letters en cijfers nog echt bestonden. Ze kropen, rolden en hupten en zwommen dat het een lust was. Waar hun ogen, oren en poten zaten zijn we allang vergeten, we kennen alleen nog de tekens. Teken maar eens hoe ze er in het echt hebben uitgezien. Laat de kinderen er daarna vooral ook over aan het woord. Groep 4 kan een kort verhaaltje schrijven. |
Print |
| 30 |
Anders dan de ander en toch hetzelfde |
Anders dan de ander en toch hetzelfde.
In de kring kijken we naar hoe we er eigenlijk uitzien. We hebben allemaal een neus, mond en ogen. Maar wat is daar allemaal aan te ontdekken? En hoe verschilt dat van persoon tot persoon? Bijvoorbeeld het oog; wat is je oog, oogbol, iris, pupil, ooglid, wimper. Waarin zie je verschillen? De kleur van de iris natuurlijk. Welke kleuren zie je allemaal als je goed kijkt? En verder
Haren: lang/kort, krullen/stijl, kleuren, kruinen, richting, scheiding. Wenkbrauwen; vorm. Neus en neusvleugels. Mond en lippen. Oren; lelletje, binnenvormen, hard/zacht
Een leuke verwerking is een ogen-neuzen-monden-collage. De kinderen knippen deze onderdelen uit tijdschriften en plakken naast elkaar. |
Print |
| 31 |
(b) Ieder zijn kleurenlied |
(b) Ieder zijn kleurenlied
Na afloop worden de flesjes op de vensterbank geplaatst. Om beurten mogen de kinderen die dag de volgorde wijzigen. Bijv. in groepjes op hoofdkleur. Of in de rij waardoor de veranderingen langzaam van de ene in de andere kleur overgaan. Of in de volgorde van de regenboog.
Met waxinelichtjes erachter in een verduisterde klas is het een prachtig schouwspel! |
Print |
| 32 |
(a) lichtfeest kleurenorgel |
(a) lichtfeest kleurenorgel. (achtereenvolgens in december)
(Voor deze activiteit heb je nodig:
transparante plastic flesjes, drie grote plastic flessen, trechter en beetje rode, gele en blauwe ecoline, waxinelichtjes)
In drie grote plastic flessen zit water met respectievelijk een scheutje rode, gele en blauwe ecoline. De kinderen krijgen om beurten de opdracht een mooie nieuwe kleur te toveren door een beetje water uit de grote fles in een kleun flesje te gieten. Bij toevoeging van de tweede kleur ontstaat iets nieuws. Hoe zou je die kleur noemen? Pas op, laat de kinderen op tijd stoppen anders wordt alles bruingrijs of grijsbruin.
|
Print |